Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten

日本人  Türk  Svenska  Pусский   Deutsch Português  Italiano  Español  English  Français  عربية
中国的  한국의  Български   Dansk  Suomi   Gaeilge  Nederlands Norsk  Polski  Ceština  Indonesia

Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten

Preambule
De Staten die partij zijn bij dit Verdrag,
Overwegende, dat, overeenkomstig de in het Handvest der Verenigde Naties verkondigde beginselen, erkenning van de
inherente waardigheid en van de gelijke en onvervreemdbare rechten van alle leden van de mensengemeenschap
grondslag is voor de vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld,
Erkennende, dat deze rechten voortvloeien uit de inherente waardigheid van de menselijke persoon,
Erkennende, dat overeenkomstig de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens het ideaal van de vrije mens die
vrijheid als staatsburger en politieke vrijheid geniet, en die vrij is van vrees en gebrek, slechts kan worden
verwezenlijkt indien er omstandigheden worden geschapen, waarin eenieder zijn burgerrechten en zijn politieke
rechten, alsmede zijn economische, sociale en culturele rechten kan uitoefenen,
Overwegende, dat, krachtens het Handvest der Verenigde Naties, de Staten verplicht zijn de universele eerbied voor
en de inachtneming van de rechten en vrijheden van de mens te bevorderen,
Zich ervan bewust dat op de individuele mens, uit hoofde van de plichten die hij heeft tegenover anderen en tegenover
de gemeenschap waartoe hij behoort, de verantwoordelijkheid rust te streven naar bevordering en inachtneming van de
dit Verdrag erkende rechten,
Zijn overeengekomen als volgt:
DEEL I
Artikel 1
1. Alle volken bezitten het zelfbeschikkingsrecht. Uit hoofde van dit recht bepalen zij in alle vrijheid hun politieke
status en streven zij vrijelijk hun economische, sociale en culturele ontwikkeling na.
2. Alle volken kunnen ter verwezenlijking van hun doeleinden vrijelijk beschikken over hun natuurlijke rijkdommen en
hulpbronnen, evenwel onverminderd verplichtingen voortvloeiend uit internationale economische samenwerking,
gegrondvest op het beginsel van wederzijds voordeel, en uit het internationale recht. In geen geval mogen een volk zijn
bestaansmiddelen worden ontnomen.
3. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag, met inbegrip van de Staten die verantwoordelijk zijn voor het beheer van
gebieden zonder zelfbestuur en van trustgebieden, bevorderen de verwezenlijking van het zelfbeschikkingsrecht en
eerbiedigen dit recht overeenkomstig de bepalingen van het Handvest der Verenigde Naties.
DEEL II
Artikel 2
1. Iedere Staat die partij is bij dit Verdrag verbindt zich de in dit Verdrag erkende rechten te eerbiedigen en deze aan
eenieder die binnen zijn grondgebied verblijft en aan zijn rechtsmacht is onderworpen te verzekeren, zonder
onderscheid van welke aard ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging,
nationale of maatschappelijke afkomst, welstand, geboorte of enige andere omstandigheid.
2. Iedere Staat die partij is bij dit Verdrag verbindt zich, langs de door zijn staatsrecht voorgeschreven weg en in
overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag, alle wettelijke of andere maatregelen te nemen die nodig zijn om
de in dit Verdrag erkende rechten tot gelding te brengen, voor zover daarin niet reeds door bestaande wettelijke
regelingen of anderszins is voorzien.
3. Iedere Staat die partij is bij dit Verdrag verbindt zich:
a. Te verzekeren dat eenieder wiens rechten of vrijheden als in dit Verdrag erkend, worden geschonden een effectief
rechtsmiddel ter beschikking heeft, zelfs indien de schending zou zijn begaan door personen in de uitoefening van
hun ambtelijke functie;
b. Te verzekeren dat omtrent het recht van degene die het rechtsmiddel aanwendt wordt beslist door de bevoegde
rechterlijke, bestuurlijke of wetgevende autoriteit, of door een andere autoriteit die daartoe krachtens de
nationale wetgeving bevoegd is, en de mogelijkheden van beroep op de rechter verder tot ontwikkeling te brengen;
c. Te verzekeren dat de bevoegde autoriteiten daadwerkelijk rechtsherstel verlenen, in geval het beroep gegrond
wordt verklaard.
Artikel 3
De Staten die partij zijn bij dit Verdrag verbinden zich het gelijke recht van mannen en vrouwen op het genot van alle in
dit Verdrag genoemde burgerrechten en politieke rechten te verzekeren.
Artikel 4
1. Bij een algemene noodtoestand, die een bedreiging vormt voor het bestaan van het volk en die officieel is
afgekondigd, kunnen de Staten die partij zijn bij dit Verdrag maatregelen nemen, die afwijken van hun verplichtingen
ingevolge dit Verdrag, mits deze maatregelen niet verder gaan dan de toestand vereist en niet in strijd zijn met andere
verplichtingen welke voortvloeien uit het internationale recht en geen discriminatie uitsluitend op grond van ras,
huidskleur, geslacht, taal, godsdienst of maatschappelijke afkomst inhouden.
2. Op grond van deze bepaling mag niet worden afgeweken van de artikelen 6, 7, 8 (eerste en tweede lid), 11, 15, 16 en
18.
3. Iedere Staat die partij is bij dit Verdrag die gebruik maakt van het recht tot afwijking van de bepalingen daarvan
stelt de andere Staten die partij zijn bij dit Verdrag, door tussenkomst van de Secretaris-Generaal van de Verenigde
Naties, onverwijld in kennis van de bepalingen waarvan hij is afgeweken, alsmede van de redenen die hem daartoe
hebben genoopt. Eveneens door tussenkomst van de Secretaris-Generaal wordt een volgende kennisgeving gedaan op de
datum waarop de afwijking ophoudt van kracht te zijn.
Artikel 5
1. Geen bepaling van dit Verdrag mag zodanig worden uitgelegd als zou zij voor een Staat, een groep of een persoon het
recht inhouden enige activiteit te ontplooien of enige daad te verrichten, die ten doel heeft de rechten en vrijheden
welke in dit Verdrag zijn erkend, te vernietigen of deze rechten en vrijheden meer te beperken dan bij dit Verdrag is
voorzien.
2. Het is niet toegestaan enig fundamenteel recht van de mens dat in een land, ingevolge wettelijke bepalingen,
overeenkomsten, voorschriften of gewoonten, wordt erkend of bestaat, te beperken of ervan af te wijken, onder
voorwendsel dat dit Verdrag die rechten niet erkent of dat het deze slechts in mindere mate erkent.
DEEL III
Artikel 6
1. Ieder heeft het recht op leven. Dit recht wordt door de wet beschermd. Niemand mag naar willekeur van zijn leven
worden beroofd.
2. In landen waar de doodstraf niet is afgeschaft, mag een doodvonnis slechts worden uitgesproken voor de ernstigste
misdrijven overeenkomstig de wet zoals die ten tijde dat het misdrijf wordt begaan van kracht is en welke niet in strijd
is met de bepalingen van dit Verdrag en met het Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing van genocide. Deze straf
kan slechts worden voltrokken ingevolge een onherroepelijk vonnis door een bevoegde rechter gewezen.
3. Wanneer beroving van het leven het misdrijf genocide inhoudt, geeft geen enkele bepaling in dit artikel een Staat die
partij is bij dit Verdrag de bevoegdheid af te wijken van enigerlei verplichting die is aanvaard krachtens de bepalingen
van het Verdrag inzake de voorkoming en de bestraffing van genocide.
4. Eenieder die ter dood is veroordeeld heeft het recht gratie of verzachting van het vonnis te vragen. Amnestie,
gratie of verzachting van het vonnis kan in alle voorkomende gevallen worden verleend.
5. De doodstraf mag niet worden opgelegd voor misdrijven die zijn begaan door personen beneden de leeftijd van
achttien jaar en mag niet worden voltrokken aan zwangere vrouwen.
6. Op geen enkele bepaling van dit artikel kan een beroep worden gedaan om de afschaffing van de doodstraf door een
Staat die partij is bij dit Verdrag op te schorten of te voorkomen.
Artikel 7
Niemand mag worden onderworpen aan folteringen, of aan wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of
bestraffing. In het bijzonder mag niemand, zonder zijn in vrijheid gegeven toestemming, worden onderworpen aan
medische of wetenschappelijke experimenten.
Artikel 8
1. Niemand mag in slavernij worden gehouden; slavernij en slavenhandel in iedere vorm zijn verboden.
2. Niemand mag in horigheid worden gehouden.
3. a. Niemand mag gedwongen worden dwangarbeid of verplichte arbeid te verrichten;
b. Lid 3. a mag niet zodanig worden uitgelegd dat in landen waar gevangenisstraf met dwangarbeid kan worden opgelegd
als straf voor een misdrijf, het verrichten van dwangarbeid op grond van een door de bevoegde rechter uitgesproken
veroordeling tot een zodanige straf, wordt verboden;
c. Niet als "dwangarbeid of verplichte arbeid" in de zin van dit lid worden beschouwd:
(i) arbeid of diensten, voor zover niet bedoeld in alinea b, die gewoonlijk worden verlangd van iemand die
wordt gevangen gehouden uit hoofde van een wettig bevel van een rechtbank of van iemand gedurende
diens voorwaardelijke invrijheidstelling;
(ii) elke dienst van militaire aard en, in landen waar dienstweigering op grond van gewetensbezwaren wordt
erkend, die nationale diensten die bij de wet van principiële dienstweigeraars worden gevorderd;
(iii) elke dienst welke wordt gevorderd in het geval van een noodtoestand of ramp die het bestaan of het
welzijn van de gemeenschap bedreigt;
(iv) alle arbeid of elke dienst die deel uitmaakt van de normale burgerplichten.
Artikel 9
1. Eenieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Niemand mag worden onderworpen aan willekeurige
arrestatie of gevangenhouding. Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen, behalve op wettige gronden en op wettige
wijze.
2. Iedere gearresteerde dient bij zijn arrestatie op de hoogte te worden gebracht van de redenen van zijn arrestatie
en dient onverwijld op de hoogte te worden gebracht van de beschuldigingen die tegen hem zijn ingebracht.
3. Eenieder die op beschuldiging van het begaan van een strafbaar feit wordt gearresteerd of gevangen gehouden dient
onverwijld voor de rechter te worden geleid of voor een andere autoriteit die door de wet bevoegd is verklaard
rechterlijke macht uit te oefenen en heeft het recht binnen een redelijke termijn berecht te worden of op vrije voeten
te worden gesteld. Het mag geen regel zijn dat personen die op hun berechting wachten in voorarrest worden gehouden,
doch aan hun invrijheidsstelling kunnen voorwaarden worden verbonden om te waarborgen dat de betrokkene verschijnt
ter terechtzitting, in andere stadia van de gerechtelijke procedure dan wel, zo het geval zich voordoet, voor de
tenuitvoerlegging van het vonnis.
4. Eenieder wie door arrestatie of gevangenhouding zijn vrijheid is ontnomen, heeft het recht voorziening te vragen bij
de rechter, opdat die rechter binnen korte termijn beslist over de wettigheid van zijn gevangenhouding en zijn
invrijheidsstelling beveelt, indien zijn gevangenhouding onrechtmatig is.
5. Eenieder die het slachtoffer is geweest van een onwettige arrestatie of gevangenhouding heeft het recht op
schadeloosstelling.
Artikel 10
1. Allen die van hun vrijheid zijn beroofd dienen te worden behandeld met menselijkheid en met eerbied voor de
waardigheid, inherent aan de menselijke persoon.
2. a. Verdachten dienen, uitzonderlijke omstandigheden buiten beschouwing gelaten, gescheiden te worden gehouden
van veroordeelden en dienen aanspraak te kunnen maken op een afzonderlijke behandeling overeenkomend met hun staat
van niet veroordeelde persoon.
b. Jeugdige verdachten dienen gescheiden te worden gehouden van volwassenen en zo spoedig mogelijk voor de rechter
te worden geleid.
3. Het gevangenisstelsel dient te voorzien in een behandeling van gevangenen die in de eerste plaats is gericht op
heropvoeding en reclassering. Jeugdige overtreders dienen gescheiden te worden gehouden van volwassenen en
behandeld te worden in overeenstemming met hun leeftijd en wettelijke staat.
Artikel 11
Niemand mag gevangen worden genomen uitsluitend omdat hij niet in staat is een uit een overeenkomst voortvloeiende
verplichting na te komen.
Artikel 12
1. Eenieder die wettig op het grondgebied van een Staat verblijft, heeft binnen dit grondgebied, het recht zich
vrijelijk te verplaatsen en er zijn verblijfplaats vrijelijk te kiezen.
2. Eenieder heeft het recht welk land ook, met inbegrip van het eigen land, te verlaten.
3. De bovengenoemde rechten kunnen aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die welke bij de wet zijn
voorzien, nodig zijn ter bescherming van de nationale veiligheid, de openbare orde, de volksgezondheid of de goede
zeden of van de rechten en vrijheden van anderen en verenigbaar zijn met de andere in dit Verdrag erkende rechten.
4. Aan niemand mag willekeurig het recht worden ontnomen naar zijn eigen land terug te keren.
Artikel 13
Een vreemdeling die wettig op het grondgebied verblijft van een Staat die partij is bij dit Verdrag, kan slechts uit die
Staat worden gezet krachtens een overeenkomstig de wet genomen beslissing, terwijl het hem, tenzij dwingende
redenen van nationale veiligheid een tegengestelde beslissing rechtvaardigen, is toegestaan zijn bezwaren tegen zij

uitzetting kenbaar te maken en zijn geval opnieuw te doen beoordelen door, en zich met dit doel te doen
vertegenwoordigen bij de bevoegde autoriteit dan wel door een of meer personen die daartoe speciaal door de bevoegde
autoriteit zijn aangewezen.
Artikel 14
1. Allen zijn gelijk voor de rechter en de rechterlijke instanties. Bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem
ingestelde strafvervolging, of het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen in een rechtsgeding, heeft
eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling door een bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige bij de wet
ingestelde rechterlijke instantie. De terechtzitting kan geheel of ten dele met gesloten deuren plaatsvinden, hetzij in
het belang van de goede zeden, de openbare orde of de nationale veiligheid in een democratische samenleving, hetzij
wanneer het belang van het privé leven van de partijen bij het proces dit vereist, hetzij voorzover de rechter dit strikt
noodzakelijk acht op grond van de overweging, dat een openbare behandeling het belang van de rechtspraak zou
schaden; evenwel zal elk vonnis dat wordt gewezen in een strafrechtelijk of burgerrechtelijk geding openbaar zijn,
tenzij het belang van jeugdige personen zich daartegen verzet of het proces echtelijke twisten of de voogdij over
kinderen betreft.
2. Eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd wordt voor onschuldig gehouden, totdat zijn schuld volgens de
wet is bewezen.
3. Bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft eenieder, in volle gelijkheid,
recht op de volgende minimumgaranties:
a. onverwijld en in bijzonderheden, in een taal die hij verstaat, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de
reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging;
b. te beschikken over voldoende tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging en
zich te verstaan met een door hemzelf gekozen raadsman;
c. zonder onredelijke vertraging te worden berecht;
d. in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, zichzelf te verdedigen of de bijstand te hebben van een raadsman
naar eigen keuze; ingeval hij geen rechtsbijstand heeft, van het recht daarop in kennis te worden gesteld;
rechtsbijstand toegewezen te krijgen, indien het belang van de rechtspraak dit eist, en zonder dat daarvoor
betaling van hem kan worden verlangd, indien hij niet over voldoende middelen beschikt;
e. de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à
décharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge;
f. zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal die ter zitting wordt gebezigd niet verstaat of
niet spreekt;
g. niet te worden gedwongen tegen zichzelf te getuigen of een bekentenis af te leggen.
4. Wanneer het jeugdige personen betreft, dient rekening te worden gehouden met hun leeftijd en de wenselijkheid hun
reclassering te bevorderen.
5. Eenieder die wegens een strafbaar feit is veroordeeld heeft het recht de schuldig-verklaring en veroordeling
opnieuw te doen beoordelen door een hoger rechtscollege overeenkomstig de wet.
6. Indien iemand wegens een strafbaar feit onherroepelijk is veroordeeld en het vonnis vervolgens is vernietigd, of
indien hem daarna gratie is verleend, op grond van de overweging dat een nieuw of een pas aan het licht gekomen feit
onomstotelijk aantoont dat van een gerechtelijke dwaling sprake is, wordt degene die, als gevolg van die veroordeling,
straf heeft ondergaan, overeenkomstig de wet schadeloos gesteld, tenzij wordt aangetoond dat het niet tijdig bekend
worden van het onbekende feit geheel of gedeeltelijk aan hemzelf te wijten was.
7. Niemand mag voor een tweede keer worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds
overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij onherroepelijke uitspraak is veroordeeld of waarvan hij is
vrijgesproken.
Artikel 15
1. Niemand kan worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit naar nationaal of
internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. Evenmin mag een zwaardere straf
worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. Indien, na het
begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, dient de overtreder
daarvan te profiteren.
2. Geen enkele bepaling van dit artikel staat in de weg aan het vonnis en de straf van iemand die schuldig is aan een
handelen of nalaten, hetwelk ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde, van strafrechtelijke aard was
overeenkomstig de algemene rechtsbeginselen die door de volkerengemeenschap worden erkend.
Artikel 16
Eenieder heeft, waar hij zich ook bevindt, het recht als persoon erkend te worden voor de wet.
Artikel 17
1. Niemand mag worden onderworpen aan willekeurige of onwettige inmenging in zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn
huis en zijn briefwisseling, noch aan onwettige aantasting van zijn eer en goede naam.
2. Eenieder heeft recht op bescherming door de wet tegen zodanige inmenging of aantasting.
Artikel 18
1. Eenieder heeft het recht op vrijheid van denken, geweten en godsdienst. Dit recht omvat mede de vrijheid een zelf
gekozen godsdienst of levensovertuiging te hebben of te aanvaarden, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met
anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of levensovertuiging tot uiting te brengen
door de eredienst, het onderhouden van de geboden en voorschriften, door praktische toepassing en het onderwijzen
ervan.
2. Op niemand mag dwang worden uitgeoefend die een belemmering zou betekenen van zijn vrijheid een door hemzelf
gekozen godsdienst of levensovertuiging te hebben of te aanvaarden.
3. De vrijheid van eenieder zijn godsdienst of levensovertuiging tot uiting te brengen kan slechts in die mate worden
beperkt als wordt voorgeschreven door de wet en noodzakelijk is ter bescherming van de openbare veiligheid, de orde,
de volksgezondheid, de goede zeden of de fundamentele rechten en vrijheden van anderen.
4. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag verbinden zich de vrijheid te eerbiedigen van ouders of wettige voogden, de
godsdienstige en morele opvoeding van hun kinderen overeenkomstig hun eigen levensovertuiging te verzekeren.
Artikel 19
1. Eenieder heeft het recht zonder inmenging een mening te koesteren.
2. Eenieder heeft het recht op vrijheid van meningsuiting; dit recht omvat mede de vrijheid inlichtingen en denkbeelden
van welke aard ook te garen, te ontvangen en door te geven, ongeacht grenzen, hetzij mondeling, hetzij in geschreven of
gedrukte vorm, in de vorm van kunst, of met behulp van andere media naar zijn keuze.
3. Aan de uitoefening van de in het tweede lid van dit artikel bedoelde rechten zijn bijzondere plichten en
verantwoordelijkheden verbonden. Deze kan derhalve aan bepaalde beperkingen worden gebonden, doch alleen
beperkingen die bij de wet worden voorzien en nodig zijn:
a. in het belang van de rechten of de goede naam van anderen;
b. in het belang van de nationale veiligheid of ter bescherming van de openbare orde, de volksgezondheid of de
goede zeden.
Artikel 20
1. Alle oorlogspropaganda wordt bij de wet verboden.
2. Het propageren van op nationale afkomst, ras of godsdienst gebaseerde haatgevoelens die aanzetten tot
discriminatie, vijandigheid of geweld, wordt bij de wet verboden.
Artikel 21
Het recht van vreedzame vergadering wordt erkend. De uitoefening van dit recht kan aan geen andere beperkingen
worden onderworpen dan die welke in overeenstemming met de wet worden opgelegd en die in een democratische
samenleving geboden zijn in het belang van de nationale veiligheid of de openbare veiligheid, de openbare orde, de
bescherming van de volksgezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Artikel 22
1. Eenieder heeft het recht op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht vakverenigingen op te richten en zich
bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.
2. De uitoefening van dit recht kan aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die, welke bij de wet zijn
voorgeschreven en die in een democratische samenleving geboden zijn in het belang van de nationale veiligheid of de
openbare veiligheid, de openbare orde, de bescherming van de volksgezondheid of de goede zeden of de bescherming
van de rechten en vrijheden van anderen. Dit artikel belet niet het opleggen van wettige beperkingen aan leden van de
strijdmacht en van de politie in de uitoefening van dit recht.
3. Geen bepaling in dit artikel geeft de Staten die partij zijn bij het Verdrag van 1948 van de Internationale
Arbeidsorganisatie betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het
vakverenigingsrecht de bevoegdheid wettelijke maatregelen te treffen, die de in dat Verdrag voorziene waarborgen in
gevaar zouden brengen, of de wet zodanig toe te passen dat deze in gevaar zouden worden gebracht.
Artikel 23
1. Het gezin vormt de natuurlijke en fundamentele kern van de maatschappij en heeft recht op bescherming door de
maatschappij en de Staat.
2. Het recht van mannen en vrouwen van huwbare leeftijd een huwelijk aan te gaan en een gezin te stichten wordt
erkend.
3. Geen huwelijk wordt gesloten zonder de vrije en volledige toestemming van de aanstaande echtgenoten.
4. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag nemen passende maatregelen ter verzekering van de gelijke rechten en
verantwoordelijkheden van de echtgenoten wat het huwelijk betreft, tijdens het huwelijk en bij de ontbinding ervan. In
geval van ontbinding van het huwelijk wordt voorzien in de noodzakelijke bescherming van eventuele kinderen.
Artikel 24
1. Elk kind heeft, zonder onderscheid naar ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, nationale of maatschappelijke
afkomst, eigendom of geboorte, recht op die beschermende maatregelen van de zijde van het gezin waartoe het
behoort, de gemeenschap en de Staat, waarop het in verband met zijn minderjarigheid recht heeft.
2. Elk kind wordt onmiddellijk na de geboorte ingeschreven en krijgt een naam.
3. Elk kind heeft het recht een nationaliteit te verwerven.
Artikel 25
Elke burger heeft het recht en dient in de gelegenheid te worden gesteld, zonder dat het onderscheid bedoeld in
artikel 2 wordt gemaakt en zonder onredelijke beperkingen:
a. deel te nemen aan de behandeling van openbare aangelegenheden, hetzij rechtstreeks of door middel van
vrijelijk gekozen vertegenwoordigers;
b. te stemmen en gekozen te worden door middel van betrouwbare periodieke verkiezingen die gehouden worden
krachtens algemeen en gelijkwaardig kiesrecht en bij geheime stemming, waardoor het vrijelijk tot uitdrukking
brengen van de wil van de kiezers wordt verzekerd;
c. op algemene voet van gelijkheid te worden toegelaten tot de overheidsdiensten van zijn land.
Artikel 26
Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit
verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert eenieder gelijke en doelmatige bescherming
tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging,
nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.
Artikel 27
In Staten waar zich etnische, godsdienstige of linguïstische minderheden bevinden, mag aan personen die tot die
minderheden behoren niet het recht worden ontzegd, in gemeenschap met de andere leden van hun groep, hun eigen
cultuur te beleven, hun eigen godsdienst te belijden en in de praktijk toe te passen, of zich van hun eigen taal te
bedienen.
DEEL IV
Artikel 28
1. Er wordt een Comité voor de rechten van de mens (hierna in dit Verdrag te noemen "het Comité") ingesteld. Het
bestaat uit achttien leden en oefent de hierna te noemen functies uit.
2. Het Comité bestaat uit onderdanen van de Staten die partij zijn bij dit Verdrag, die hoog zedelijk aanzien genieten
en erkende bekwaamheid
op het gebied van de rechten van de mens bezitten, waarbij dient te worden overwogen dat het lidmaatschap van enige
personen die ervaring hebben op juridisch gebied raadzaam is.
3. De leden van het Comité worden gekozen en treden op in hun persoonlijke hoedanigheid.
Artikel 29
1. De leden van het Comité worden bij geheime stemming gekozen uit een lijst van personen die de kwaliteiten bezitten
die in artikel 28 worden genoemd en met dit doel zijn voorgedragen door de Staten die partij zijn bij dit Verdrag.
2. Elke Staat die partij is bij dit Verdrag mag niet meer dan twee personen voordragen. Dezen moeten onderdaan zijn
van de Staat die hen voordraagt.
3. Een persoon kan opnieuw worden voorgedragen.
Artikel 30
1. De eerste verkiezing wordt niet later gehouden dan zes maanden na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag.
2. Ten minste vier maanden vóór de datum waarop een verkiezing voor het Comité plaatsheeft, met uitzondering van een
verkiezing ter voorziening in een overeenkomstig het bepaalde in artikel 34 bekendgemaakte vacature, richt de
Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties een schriftelijk verzoek aan de Staten die partij zijn bij dit Verdrag
binnen drie maanden hun voordrachten voor het lidmaatschap van het Comité in te zenden.
3. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties stelt een alfabetische lijst samen van alle aldus voorgedragen
personen, onder aanduiding van de Staten die partij zijn bij dit Verdrag die hen hebben voorgedragen en legt deze
uiterlijk één maand vóór de datum van elke verkiezing voor aan de Staten die partij zijn bij dit Verdrag.
4. De verkiezingen van de leden van het Comité worden gehouden op een door de Secretaris-Generaal van de Verenigde
Naties ten hoofdkantore van de Verenigde Naties te beleggen vergadering van de Staten die partij zijn bij dit Verdrag.
Op die vergadering, waarvoor twee derde van de Staten die partij zijn bij dit Verdrag het quorum vormen, zijn degenen
die in het Comité zijn gekozen die voorgedragen personen die het grootste aantal stemmen op zich hebben verenigd,
alsmede een absolute meerderheid van de stemmen van de aanwezige vertegenwoordigers van de Staten die partij zijn
en hun stem uitbrengen.
Artikel 31
1. Er mag niet meer dan één onderdaan van een zelfde Staat lid van het Comité zijn.
2. Bij het kiezen van het Comité dient aandacht te worden geschonken aan een billijke geografische verdeling van het
lidmaatschap en aan de vertegenwoordiging der verschillende beschavingsvormen en der voornaamste rechtsstelsels.
Artikel 32
1. De leden van het Comité worden gekozen voor een tijdvak van vier jaar. Zij zijn herkiesbaar indien zij opnieuw worden
voorgedragen. De ambtstermijn van negen der bij de eerste verkiezing benoemde leden loopt evenwel na twee jaar af;
terstond na de eerste verkiezing worden deze negen leden bij loting aangewezen door de voorzitter van de in artikel 30,
lid 4, bedoelde vergadering.
2. Verkiezingen na afloop van een ambtstermijn worden gehouden overeenkomstig de voorgaande artikelen van dit deel
van dit Verdrag.
Artikel 33
1. Indien, naar het eenstemmige oordeel van de andere leden, een lid van het Comité door enige oorzaak, waaronder niet
is te verstaan tijdelijke afwezigheid, heeft opgehouden zijn functie uit te oefenen, geeft de voorzitter van het Comité
daarvan kennis aan de Secretaris-Generaal der Verenigde Naties, die vervolgens mededeling doet van het openvallen van
de zetel van dat lid.
2. Indien een lid van het Comité overlijdt of ontslag neemt, geeft de voorzitter daarvan onverwijld kennis aan de
Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die mededeling doet van het openvallen van de zetel met ingang van de
datum van het overlijden of de datum waarop het genomen ontslag ingaat.
Artikel 34
1. Indien een vacature wordt bekendgemaakt overeenkomstig het bepaalde in artikel 33 en indien de ambtstermijn van
het te vervangen lid niet afloopt binnen een tijdvak van zes maanden na de bekendmaking van de vacature, geeft de
Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties daarvan bericht aan elk der Staten die partij zijn bij dit Verdrag, die
binnen twee maanden overeenkomstig het bepaalde in artikel 29 personen kunnen voordragen ter voorziening in de
vacature.
2. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties stelt een alfabetische lijst samen van de aldus voorgedragen
personen en legt deze voor aan de Staten die partij zijn bij dit Verdrag. De verkiezing om in de vacature te voorzien
wordt vervolgens gehouden overeenkomstig de daarop betrekking hebbende bepalingen van dit deel van dit Verdrag.
3. Een lid van het Comité dat is gekozen ter voorziening in een vacature die is bekendgemaakt overeenkomstig het
bepaalde in artikel 33, blijft in functie voor de rest van de ambtstermijn van het lid wiens zetel in het Comité is
opengevallen overeenkomstig de bepalingen van dat artikel.
Artikel 35
De leden van het Comité ontvangen, met goedkeuring van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, uit de
middelen van de Verenigde Naties emolumenten op door de Algemene Vergadering vast te stellen voorwaarden, waarbij
rekening wordt gehouden met de belangrijkheid van de taken van het Comité.
Artikel 36
De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties zorgt voor het personeel en de andere voorzieningen benodigd voor
een doelmatige uitoefening van de taken van het Comité krachtens dit Verdrag.
Artikel 37
1. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties belegt de eerste vergadering van het Comité ten hoofdkantore van
de Verenigde Naties.
2. Na zijn eerste vergadering komt het Comité bijeen op de tijden voorzien in zijn huishoudelijk reglement.
3. Normaal komt het Comité bijeen ten hoofdkantore van de Verenigde Naties of op het kantoor van de Verenigde
Naties te Genève.
Artikel 38
Elk lid van het Comité verklaart, alvorens zijn taak aan te vangen, ten overstaan van het Comité plechtig dat hij zich
onpartijdig en nauwgezet van zijn taak zal kwijten.
Artikel 39
1. Het Comité kiest zijn functionarissen voor een ambtstermijn van twee jaar. Zij zijn herkiesbaar.
2. Het Comité stelt zijn eigen huishoudelijk reglement vast, hierin wordt o.m. bepaald dat:
a. twaalf leden het quorum vormen;
b. besluiten van het Comité worden genomen met een meerderheid van het aantal door de aanwezige leden
uitgebrachte stemmen.
Artikel 40
1. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag nemen de verplichting op zich verslag uit te brengen over de maatregelen die
zij hebben genomen en die uitvoering geven aan de in dit Verdrag erkende rechten, alsmede over de vooruitgang die valt
waar te nemen in het genot van die rechten:
a. binnen een jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag voor de betrokken Staten die er partij bij zijn; en
b. vervolgens telkens wanneer het Comité dit verzoekt.
2. Alle rapporten worden voorgelegd aan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die ze ter bestudering
doorzendt aan het Comité. In deze rapporten dienen de factoren en de eventuele moeilijkheden te worden aangegeven
die van invloed zijn op de uitvoering van dit Verdrag.
3. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties kan, na overleg met het Comité, aan de desbetreffende
gespecialiseerde organisaties afschriften doen toekomen van die delen der rapporten die binnen het terrein van hun
werkzaamheden vallen.
4. Het Comité bestudeert de hem door de Staten die partij zijn bij dit Verdrag voorgelegde rapporten. Het zendt zijn
rapporten en het door hem passend geoordeelde algemene commentaar aan de Staten die partij zijn. Het Comité kan dit
commentaar, te zamen met de afschriften van de rapporten die het van Staten die partij zijn bij dit Verdrag heeft
ontvangen, eveneens toezenden aan de Economische en Sociale Raad.
5. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag kunnen opmerkingen ten aanzien van eventueel commentaar dat
overeenkomstig het bepaalde in lid 4 van dit artikel wordt geleverd, voorleggen aan het Comité.
Artikel 41
1. Een Staat die partij is bij dit Verdrag kan, krachtens dit artikel, te allen tijde verklaren, dat hij de bevoegdheid van
het Comité erkent kennisgevingen waarin een Staat die partij is beweert dat een andere Staat die partij is diens uit dit
Verdrag voortvloeiende verplichtingen niet nakomt, in ontvangst te nemen en te behandelen. Kennisgevingen als bedoeld
in dit artikel kunnen alleen in ontvangst worden genomen en worden behandeld indien zij zijn ingezonden door een Staat
die partij is, die een verklaring heeft afgelegd dat hij ten aanzien van zichzelf deze bevoegdheid van het Comité erkent.
Geen kennisgeving wordt door het Comité in ontvangst genomen, indien het een Staat die partij is betreft, die zulk een
verklaring niet heeft afgelegd. Kennisgevingen die krachtens het bepaalde in dit artikel worden ontvangen worden
overeenkomstig de volgende procedure behandeld:
a. Indien een Staat die partij is bij dit Verdrag van oordeel is dat een andere Staat die partij is de bepalingen van
dit Verdrag niet uitvoert, kan hij door middel van een schriftelijke kennisgeving de zaak onder de aandacht
brengen van die Staat die partij is. Binnen drie maanden na de ontvangst van de kennisgeving stuurt de
ontvangende Staat de Staat die de kennisgeving had gezonden een schriftelijke uiteenzetting of een andere
schriftelijke verklaring, waarin de zaak wordt opgehelderd en waarin, voor zover mogelijk en ter zake doende,
wordt verwezen naar procedures en rechtsmiddelen die in het land zelf reeds zijn toegepast, nog hangende zijn
of waartoe zou kunnen worden overgegaan.
b. Indien de zaak niet tot genoegen van de beide betrokken Staten die partij zijn wordt geregeld binnen zes
maanden na ontvangst van de eerste kennisgeving door de ontvangende Staat, heeft elk der beide Staten het
recht de zaak bij het Comité aanhangig te maken, door middel van een kennisgeving die zowel aan het Comité als
aan de andere Staat wordt gezonden.
c. Het Comité behandelt een bij hem aanhangig gemaakte zaak alleen nadat het er zich van heeft overtuigd dat
alle beschikbare binnenlandse rechtsmiddelen in de betrokken zaak zijn benut en uitgeput, in overeenstemming
met de algemeen erkende beginselen van het internationale recht. Dit is evenwel niet het geval indien de
toepassing der rechtsmiddelen onredelijk lange tijd vergt.
d. Het Comité komt in besloten zitting bijeen wanneer het kennisgevingen krachtens dit artikel gedaan aan een
onderzoek onderwerpt.
e. Met inachtneming van het bepaalde in alinea c stelt het Comité zijn goede diensten ter beschikking van de
betrokken Staten die partij zijn, ten einde de zaak in der minne te regelen op basis van eerbied voor de
rechten van de mens en de fundamentele vrijheden als erkend in dit Verdrag.
f. Bij elke bij hem aanhangig gemaakte zaak kan het Comité tot de betrokken in alinea b bedoelde Staten die
partij zijn het verzoek richten ter zake dienende inlichtingen te verstrekken.
g. De in alinea b bedoelde betrokken Staten die partij zijn hebben het recht zich te doen vertegenwoordigen
wanneer de zaak in het Comité wordt behandeld, en hun standpunt mondeling en/of schriftelijk kenbaar te
maken.
h. Het Comité brengt twaalf maanden na de datum van ontvangst van een krachtens alinea b gedane kennisgeving
een rapport uit als volgt:
(i) indien een oplossing als voorzien in alinea e is bereikt, beperkt het Comité zijn rapport tot een
korte uiteenzetting van de feiten en van de bereikte oplossing;
(ii) indien geen oplossing als voorzien in alinea e is bereikt, beperkt het Comité zijn rapport tot een
korte uiteenzetting van de feiten; de schriftelijk kenbaar gemaakte standpunten en een op schrift
gestelde samenvatting van de mondeling naar voren gebrachte standpunten van de Staten die
partij zijn, worden aan het rapport gehecht.
In elk van beide gevallen wordt het rapport toegezonden aan de betrokken Staten die partij zijn.
2. De bepalingen van dit artikel treden in werking wanneer tien Staten die partij zijn bij dit Verdrag verklaringen
hebben afgelegd krachtens het eerste lid van dit artikel. Deze verklaringen worden door de Staten die partij zijn
nedergelegd bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die afschrift daarvan doet toekomen aan de andere
Staten die partij zijn. Een zodanige verklaring kan te allen tijde, door middel van een aan de Secretaris-Generaal
gerichte kennisgeving, worden ingetrokken. Een zodanige intrekking heeft geen invloed op de behandeling van een zaak
die het onderwerp vormt van een kennisgeving die reeds is gedaan krachtens dit artikel; geen enkele volgende
kennisgeving door een Staat die partij is wordt in ontvangst genomen nadat de kennisgeving van intrekking van de
verklaring door de Secretaris-Generaal is ontvangen, tenzij de betrokken Staat die partij is een nieuwe verklaring
heeft afgelegd.
Artikel 42
1. a. Indien een zaak die, overeenkomstig het bepaalde in artikel 41, bij het Comité aanhangig is gemaakt, niet is
afgewikkeld naar genoegen van de betrokken Staten die partij zijn, kan het Comité mits daartoe vooraf de toestemming
van de betrokken Staten die partij zijn is verkregen, een conciliatiecommissie ad hoc (hierna te noemen de
Conciliatiecommissie) benoemen. De goede diensten der Conciliatiecommissie staan ter beschikking van de betrokken
Staten die partij zijn met het oog op een minnelijke schikking van de zaak op basis van eerbiediging van de bepalingen
van dit Verdrag;
b. De Conciliatiecommissie bestaat uit vijf personen die aanvaardbaar zijn voor de betrokken Staten die partij zijn.
Indien de betrokken Staten die partij zijn niet binnen drie maanden tot overeenstemming kunnen komen ten aanzien van
de samenstelling van de Conciliatiecommissie, hetzij geheel of ten dele, worden de leden van de Conciliatiecommissie ten
aanzien van wie geen overeenstemming kon worden bereikt, bij geheime stemming met twee derde meerderheid door
het Comité uit zijn leden gekozen.
2. De leden van de Conciliatiecommissie treden op in persoonlijke hoedanigheid. Zij mogen geen onderdaan zijn van de
betrokken Staten die partij zijn, of van een Staat die geen partij is bij dit Verdrag, of van een Staat die geen
verklaring krachtens artikel 41 heeft afgelegd.
3. De Conciliatiecommissie kiest haar eigen voorzitter en stelt haar eigen huishoudelijk reglement vast.
4. De vergaderingen van de Conciliatiecommissie worden als regel ten hoofdkantore van de Verenigde Naties of op het
kantoor van de Verenigde Naties te Genève gehouden. Zij kunnen evenwel op andere door de Conciliatiecommissie in
overleg met de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties en de betrokken Staten die partij zijn vast te stellen
geschikte plaatsen worden gehouden.
5. Het secretariaat waarin overeenkomstig het bepaalde in artikel 36 is voorzien staat eveneens de krachtens dit
artikel ingestelde commissies ten dienste.
6. De door het Comité ontvangen en geverifieerde gegevens worden ter beschikking gesteld van de Conciliatiecommissie
die de betrokken Staten die partij zijn kan verzoeken andere ter zake dienende gegevens te verstrekken.
7. Wanneer de Conciliatiecommissie de zaak grondig heeft overwogen doch in elk geval niet later dan twaalf maanden
nadat haar de zaak in handen is gegeven, legt zij de voorzitter van het Comité een rapport voor dat ter kennis wordt
gebracht van de betrokken Staten die partij zijn.
a. Indien het de Conciliatiecommissie niet mogelijk is haar bestudering van de zaak binnen twaalf maanden te
beëindigen, beperkt zij haar rapport tot een korte verklaring tot waar zij met de bestudering van de zaak is
gevorderd
b. Indien een minnelijke schikking op basis van eerbied voor de rechten van de mens zoals deze in dit Verdrag
worden erkend wordt bereikt, beperkt de Conciliatiecommissie haar rapport tot een korte uiteenzetting van de
feiten en van de gevonden oplossing.
c. Indien geen schikking als bedoeld in alinea b wordt bereikt, bevat het rapport van de Conciliatiecommissie een
overzicht van haar bevindingen met betrekking tot alle feitelijke gegevens die betrekking hebben op de
geschilpunten tussen de betrokken Staten die partij zijn, en haar inzichten ten aanzien van de mogelijkheid van
een minnelijke schikking van de zaak. In dit rapport dienen tevens de schriftelijke en een overzicht van de
mondelinge verklaringen die door de betrokken Staten die partij zijn zijn afgelegd te worden opgenomen.
d. Indien het rapport van de Conciliatiecommissie wordt ingediend overeenkomstig alinea c, delen de betrokken
Staten die partij zijn binnen drie maanden na ontvangst van het rapport de voorzitter van het Comité mede of
zij de inhoud van het rapport van de Conciliatiecommissie al dan niet aanvaarden.
8. De bepalingen van dit artikel laten de verantwoordelijkheden van het Comité uit hoofde van artikel 41 onverlet.
9. De betrokken Staten die partij zijn komen gelijkelijk op voor alle onkosten die door de leden van de
Conciliatiecommissie worden gemaakt, overeenkomstig ramingen die door de Secretaris-Generaal van de Verenigde
Naties worden verstrekt.
10. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties is bevoegd de onkosten van de leden van de Conciliatiecommissie te
betalen, zo nodig, voordat deze, overeenkomstig het bepaalde in lid 9 van dit artikel, door de betrokken Staten die
partij zijn worden vergoed.
Artikel 43
De leden van het Comité en van de Conciliatiecommissies ad hoc die kunnen worden ingesteld krachtens het bepaalde in
artikel 42, genieten de faciliteiten, voorrechten en immuniteiten van deskundigen die zijn uitgezonden door de
Verenigde Naties, zoals die zijn vastgesteld in de desbetreffende delen van het Verdrag nopens de voorrechten en
immuniteiten van de Verenigde Naties.
Artikel 44
De bepalingen voor de uitvoering van dit Verdrag zijn van toepassing, onverminderd de procedures die ter zake van de
rechten van de mens worden voorgeschreven door of krachtens de oprichtingsakten en de overeenkomsten van de
Verenigde Naties en de gespecialiseerde organisaties en vormen geen beletsel voor de Staten die partij zijn bij dit
Verdrag hun toevlucht te nemen tot andere procedures ter regeling van een geschil, overeenkomstig tussen hun van
kracht zijnde algemene of bijzondere internationale overeenkomsten.
Artikel 45
Het Comité doet, door tussenkomst van de Economische en Sociale Raad de Algemene Vergadering van de Verenigde
Naties een jaarverslag van zijn werkzaamheden toekomen.
DEEL V
Artikel 46
Geen bepaling van dit Verdrag mag worden uitgelegd als zijnde een aantasting van de bepaling van het Handvest der
Verenigde Naties en van de statuten van de gespecialiseerde organisaties, waarin de onderscheiden
verantwoordelijkheden van de verschillende organen van de Verenigde Naties en van de gespecialiseerde organisaties
met betrekking tot de in dit Verdrag geregelde materie zijn omschreven.
Artikel 47
Geen bepaling in dit Verdrag mag worden uitgelegd als zijnde een aantasting van het inherente recht van alle volken hun
natuurlijke rijkdommen en hulpbronnen volledig en vrijelijk te benutten en hiervan volledig en vrijelijk te profiteren.
DEEL VI
Artikel 48
1. Dit Verdrag staat open voor ondertekening door iedere Staat die lid is van de Verenigde Naties of van een of meer
der gespecialiseerde organisaties daarvan, door elke Staat die partij is bij het Statuut van het Internationale
Gerechtshof, alsmede door iedere andere Staat die door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties is
uitgenodigd bij dit Verdrag partij te worden.
2. Dit Verdrag moet worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging worden nedergelegd bij de Secretaris-Generaal
van de Verenigde Naties.
3. Dit Verdrag staat open voor toetreding door iedere in het eerste lid van dit artikel bedoelde Staat.
4. Toetreding geschiedt door middel van nederlegging van een akte van toetreding bij de Secretaris-Generaal van de
Verenigde Naties.
5. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties stelt alle Staten die dit Verdrag hebben ondertekend of tot dit
Verdrag zijn toegetreden,
in kennis van de nederlegging van iedere akte van bekrachtiging of akte van toetreding.
Artikel 49
1. Dit Verdrag treedt in werking drie maanden na de datum van nederlegging bij de Secretaris-Generaal van de
Verenigde Naties van de vijfendertigste akte van bekrachtiging of akte van toetreding.
2. Ten aanzien van iedere Staat die na nederlegging van de vijfendertigste akte van bekrachtiging of akte van
toetreding dit Verdrag bekrachtigt of tot dit Verdrag toetreedt, treedt dit Verdrag in werking drie maanden na de
datum van nederlegging van zijn akte van bekrachtiging of akte van toetreding.
Artikel 50
De bepalingen van dit Verdrag strekken zich uit tot alle delen van federale Staten, zonder enige beperking of
uitzondering.
Artikel 51
1. Iedere Staat die partij is bij dit Verdrag kan een wijziging daarvan voorstellen en deze indienen bij de Secretaris-
Generaal van de Verenigde Naties. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties deelt vervolgens iedere
voorgestelde wijziging aan de Staten die partij zijn bij dit Verdrag mede, met het verzoek hem te berichten of zij een
conferentie van Staten die partij zijn verlangen ten einde dit voorstel te bestuderen en in stemming te brengen. Indien
ten minste een derde van de Staten die partij zijn zulk een conferentie verlangt, roept de Secretaris-Generaal deze
conferentie onder auspiciën van de Verenigde Naties bijeen. Iedere wijziging die door een meerderheid van de ter
conferentie aanwezige Staten die partij zijn en die hun stem uitbrengen wordt aangenomen, wordt ter goedkeuring
voorgelegd aan de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.
2. Wijzigingen worden van kracht nadat zij door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties zijn goedgekeurd en
door een twee derde meerderheid vande Staten die partij zijn bij dit Verdrag, overeenkomstig hun onderscheiden
staatsrechtelijke procedures, zijn aangenomen.
3. Wanneer wijzigingen van kracht worden zijn zij bindend voor die Staten die partij zijn die ze hebben aangenomen,
terwijl de andere Staten die partij zijn gebonden zullen blijven door de bepalingen van dit Verdrag en door iedere
voorgaande wijziging die zij hebben aangenomen.
Artikel 52
Ongeacht de krachtens artikel 48, lid 5, gedane kennisgevingen, stelt de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties
alle in het eerste lid van hetzelfde artikel bedoelde Staten van het volgende in kennis:
a. ondertekeningen, bekrachtigingen en toetredingen krachtens artikel 48;
b. de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag krachtens artikel 49 en de datum van het van kracht worden
van eventuele wijzigingen krachtens artikel 51.
Artikel 53
1. Dit Verdrag, waarvan de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn,
wordt nedergelegd in het archief van de Verenigde Naties.
2. De Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties doet aan alle in artikel 48 bedoelde Staten gewaarmerkte
afschriften van dit Verdrag toekomen.

 

Créer un site gratuit avec e-monsite - Signaler un contenu illicite sur ce site